De herkenbaarheid van (land)bouwvoertuigen
Onderwerp van gesprek was ook de herkenbaarheid van (land)bouwvoertuigen. (Land)bouwvoertuigen moeten herkenbaar zijn voor overige weggebruikers. Er is vanaf 2021 geen algehele verplichting meer om de afgeknotte driehoek op (land)bouwvoertuigen te voeren (Dijkema, 2021b). Voertuigen zonder kentekenplaat moeten nog wel een afgeknotte driehoek voeren, maar als de tractor, het werktuig of het getrokken materieel voorzien is van een kentekenplaat hoeft dat niet meer. Het argument om de afgeknotte driehoek niet meer verplicht te stellen is dat de Europese regelgeving (VN/ECE Reglement 69) het niet langer verplicht, en dat onder de nieuwe wetgeving de kentekenplaat de zichtbaarheid van het voertuig vergroot. Ook was het een ‘uitruil’, met als doel om de invoering van de kentekenplaat zo goedkoop mogelijk te maken (Dijkema, 2021b).
Zoals in de discussie in 2023 (opnieuw) naar voren is gebracht, vindt Cumela het verdwijnen van de afgeknotte driehoek voor verkeersveiligheid geen goede zaak, omdat de driehoek voor veel weggebruikers het meest zichtbare en herkenbare signaal is dat er zich een langzaam rijdend voertuig voor hen bevindt. Aan het kenteken op de kentekenplaat kan een andere weggebruiker niet altijd zien wat er voor hem rijdt; met een afgeknotte driehoek is het duidelijk dat het om een (land) bouwvoertuig gaat. Vooral wanneer rondwegen/provinciale wegen worden opengesteld voor (land)bouwverkeer en er een inhaalverbod is voor verkeer m.u.v. (land)bouwverkeer, is het voor andere weggebruikers belangrijk om te zien dat ze met een (land)bouwvoertuig te maken hebben. Tijdens de expertmeeting in 2022 is geopperd dat de OVR (afdeling Ontwikkeling Voertuig Reglementering van de RDW) een voorstel zou kunnen voorbereiden om een afgeknotte driehoek als een verplichting op de Europese agenda te zetten. In het expertoverleg in 2023 is geconcludeerd dat een dergelijk voorstel niet kansrijk is omdat alle 27 landen het erover eens zouden moeten zijn.
In de meeting in 2023 wordt geconstateerd dat het voor de zichtbaarheid en herkenbaarheid van (land)bouwvoertuigen vooral belangrijk is dat de breedtemarkering (sinds 2018 verplicht voor voertuigen breder dan 2,55 meter) en verlichting op orde is, en dat de kennis van agenten hierover op orde is. Ook in een eerdere rapportage van de Onderzoeksraad voor Veiligheid wordt het belang hiervan al benadrukt (OvV, 2010). Bijkomend voordeel van de breedtemarkering is dat de voertuigen veelal ook meer ruimte krijgen, doordat andere weggebruikers meer afstand houden. De breedtemarkering is bij agrariërs veelal niet bekend; onder loonwerkers is meer bekendheid met deze markering en deze groep heeft voertuigen ook vaker technisch op orde. Het onderwerp behoeft nog steeds aandacht volgens de experts. Recent is LTO ook bezig om de voertuigeisen (inclusief breedtemarkeringsborden) op de eigen website te zetten. De verschillende nuanceringen in de regeling kunnen voor enige verwarring zorgen. Zo is 2,55 meter voor breedtemarkering een grens voor (land)bouwvoertuigen, maar voor een uitstekende lading bij bedrijfsauto’s geldt een markeringsplicht pas vanaf 2,75 meter.
Volgens de politiedeskundige zal de vakkennis van de gemiddelde politieagent beperkt zijn, als het gaat over nieuwe wetgeving voor het gebruik van markeringsborden of voor bijvoorbeeld remsystemen. Een politieagent moet alle wetgeving bijhouden, ook buiten het verkeer, en dat is eigenlijk ondoenlijk. Alleen al in het vakgebied verkeer zijn er verschillende wetten (de wet gevaarlijke stoffen, de wet milieudelicten, de veranderingen in strafrecht en strafvorderingen, rij- en rusttijden, de wetgeving over ladingeisen). Wanneer regelgeving wordt aangepast, worden bovendien niet alle collega’s op de hoogte gesteld. De agenten moeten het dus vaak zelf uitzoeken of bijhouden.